
Onstaan van de stuwwal

AHN hoogtekaart stuwwal
Het ontstaan van de stuwwal van Utrecht en het Gooi en het omliggende landschap is in veel publicaties uitvoerig beschreven, Je kunt hier in enkele minuten zien, hoe het in grote lijnen ook al weer zat.
Ik beperk mij daarom tot vier belangrijke fasen in het ontwikkelingsproces van de heuvelrug. Hiermee kunnen we tijdens de wandelingen een goed inzicht krijgen in de landschapselementen en grondsoorten die we tegenkomen. Ik vermijd zoveel mogelijk wetenschappelijke termen, zoals de namen van de verschillende ijstijden, omdat die lastig te onthouden zijn en weinig bijdragen aan een beter begrip van het verhaal.
Fase I: de periode vóór en tijdens de eerste twee ijstijden

Kaart van de Rijn en Maas en een doorsnede van het sediment (door HUG)
In de eerste en tweede ijstijd, die duurde van 500.000 tot 100.000 jaar geleden, kwam het Scandinavische ijs niet tot Nederland. De Rijn en de Maas stroomden destijds via het huidige Eemdal en de Gelderse Vallei naar het Flevomeer. Onderweg voerden zij enorme hoeveelheden zand en grind mee, die in dikke lagen werden afgezet, afgewisseld met dunnere kleilagen. Met ijsschotsen werden bovendien grotere stenen meegevoerd vanuit de Europese Middelgebergten.
Fase II De derde ijstijd; ontstaan van de stuwwal

Kaart landijs met de stuwwallen en een doorsnede bij Maarn (door HUG)
Ongeveer 100.000 jaar geleden, tijdens de derde ijstijd, bereikten enorme gletsjers uit Scandinavië Nederland. Deze ijsmassa’s, vol stenen en keien, schoven het land binnen en reikten tot in de Gelderse Vallei en het dal van de IJssel. Het voortschuivende ijs stuwde de eerder door rivieren afgezette lagen zand, grind en klei voor zich uit. Zo ontstonden hoge stuwwallen met talrijke pieken en toppen. Op enkele plaatsen schoof het ijs zelfs over deze stuwwallen heen en schuurde daarbij de hoogste delen af. Waar deze afvlakking groot was, ontstonden vlakke hoogtes die als plateaus kunnen worden beschouwd.
Door deze opstuwing kwamen zand- en grindbanken van de rivieren op verschillende plaatsen aan het oppervlak van de stuwwallen. Deze lagen lopen vaak parallel aan elkaar en vormen langgerekte structuren in het landschap. Ook dunnere klei- en leemlagen uit de oorspronkelijke riviersedimenten zijn plaatselijk naar boven gedrukt.
Door de grote druk en het schurende effect van het dikke ijs op de zanderige ondergrond ontstond een taaie kleilaag, bekend als keileem. In ons gebied komt deze laag echter niet aan de oppervlakte voor, omdat zij wordt bedekt door jongere afzettingen (zie fase IV).
Door de aanwezigheid van het ijs konden de Rijn en de Maas hun oorspronkelijke loop naar het noorden niet langer volgen en werden zij gedwongen naar het westen af te buigen.
FASE III Warme tussenijstijd; het ijs trekt zich terug

Kaart stuwwallen en een doorsnede bij Maarn (door HUG)
Aan het einde van de derde ijstijd werd het klimaat warmer en begon het ijs te smelten. De opgestuwde zandruggen bleven daarbij achter, samen met de keien die door het ijs waren meegevoerd. Het smeltwater van de zich terugtrekkende ijsmassa’s stroomde over en langs deze zandruggen en schuurde talrijke dalen uit. Deze zijn nog altijd herkenbaar als smeltwaterdalen. Op plekken waar de stroomsnelheid van het smeltwater afnam, bleef het meegevoerde materiaal achter en vormden zich zogenoemde spoelzandwaaiers. Deze bestaan uit zand en fijn grind en lopen geleidelijk af naarmate zij verder van de stuwwal verwijderd zijn. De ijzige wind heeft veel toppen van de stuwwal afgevlakt. Daardoor zijn er in dit gebied weinig uitgesproken bergtoppen te vinden. Het landschap was in die tijd koud en kaal. Wil je een indruk krijgen van dit troosteloze landschap, kijk dan naar het mooie filmpje van Marcel Creemer.
Bij Darthuizen was de hoeveelheid smeltwater zo groot dat een deel van de heuvelrug werd weggespoeld. Hierdoor ontstond als het ware een “Gat in de berg”, een markant landschapselement dat vandaag de dag nog goed herkenbaar is. In etappe 8 komen we hierlangs.
De verbinding tussen de Utrechtse Heuvelrug en de Veluwse stuwwal is aanvankelijk nog intact. Pas veel later heeft de Rijn dit gebied volledig weggesleten. Hoe dit proces is verlopen, kun je lezen op de informatieve website Landschap lopen. Sindsdien zijn beide gebieden van elkaar gescheiden.

AHN kaart stuwwallen
In een latere periode van deze tussenijstijd steeg de gemiddelde temperatuur verder, waardoor de zeespiegel hoger kwam te liggen dan tegenwoordig en de zee het land binnendrong. In de sedimenten uit die periode komen veel schelpen voor.
FASE IV Vierde ijstijd; toendra klimaat

Kaart stuwwallen en een doorsnede bij Maarn (door HUG)
Tijdens de laatste ijstijd (ca. 115.000–12.000 jaar geleden) bereikte het landijs Nederland niet meer, maar heerste er een ijzig koud, toendra-achtig klimaat. Smeltwater van sneeuw en ijs kon door de bevroren ondergrond nauwelijks wegzakken, waardoor opnieuw smeltwaterdalen en spoelzandwaaiers ontstonden.
De Noordzee lag grotendeels droog en doordat er vrijwel geen begroeiing was, had de wind vrij spel. Enorme hoeveelheden zand werden verplaatst en bedekten grote delen van Nederland met een dikke laag licht dekzand. Tegen de hellingen van de stuwwallen en in hun luwte werd het stuivende zand afgeremd. Door de lagere windsnelheid werd het zand langs de flanken afgezet. Zo ontstond aan beide zijden van de stuwwallen een brede gordel van zacht glooiende zandvlaktes, waarin ook duinvorming optrad.
Dwarsdoorsnede en hoogteprofiel van de stuwwal bij Maarn
AHN4 kaart (Eco = Ecoduct over het spoor en de A12)

Met deze vierde fase was de vorming van de heuvelrug voltooid. Opvallend is dat de helling van de stuwwal aan de zijde waar het landijs ooit lag aanzienlijk steiler is dan aan de andere zijde. In de afbeelding ter hoogte van Maarn zijn vier landschapsvormen in real time zichtbaar: het werkelijke AHN-hoogteprofiel van een doorsnede door de heuvelrug. Aan de uiterste west- en oostzijde van deze doorsnede gaat het landschap over in geheel andere terreintypen. In het westen betreft dit veel jongere rivierafzettingen, terwijl in het oosten afgegraven veen voorkomt. Deze vallen buiten het HUG-gebied.
Hoe herkennen we het landschap en de grondsoorten rond de stuwwal?
Deskundigen onderscheiden tientallen grondsoorten en verschijningsvormen die op geologische kaarten worden weergegeven. Voor mij als leek gaat dat echter veel te ver. Daarom heb ik een sterke vereenvoudiging aangebracht, die gebaseerd is op wat je op de bodem ziet en de mate waarin het terrein geaccidenteerd is. Zo’n vereenvoudiging is waarschijnlijk een gruwel voor een echte geoloog, maar voor ons biedt ze wel degelijk houvast.
We bekijken nu deze twee aspecten, zoals weergegeven in de onderstaande tabel.

1. Grof zand met grof grind en keien, sterk reliëf – de eigenlijke stuwwal
Dit materiaal is oorspronkelijk vóór de ijstijden door rivieren uit Midden-Europa aangevoerd. Tijdens de derde ijstijd (fase II) is het door gletsjers opgestuwd. De grotere keien zijn door het ijs meegevoerd vanuit Scandinavië en, in mindere mate, uit de Midden-Europese bergen.
2. Middelgrof zand met grind, vlak tot licht hellend – spoelzandwaaier
Deze landvorm vinden we vooral direct aan de voet van de stuwwal. Tijdens warmere perioden smolten de gletsjers en voerde het smeltwater zand en grind van de stuwwal naar beneden (fase III). Het grovere materiaal, zoals zwaarder grind, werd hoger op de helling afgezet, terwijl het fijnere zand verder weg terechtkwam.
3. Fijn wit zand zonder grind, vlak tot licht glooiend – dekzand
Dit stuifzand is afkomstig uit het gebied dat nu de Noordzee vormt. Tijdens de vierde ijstijd heeft de wind dit zand aan beide zijden van de stuwwal afgezet (fase IV).
4. Fijn zand met lage heuveltjes – landduinen
Ook in fase IV trad in gebieden met dekzand plaatselijk, door de sterke wind, duinvorming op, waardoor het landschap een meer geaccidenteerd karakter kreeg. Deze oude duinen zijn wat hoger op de hellingen te vinden en liggen nu meestal in bosgebied.
Met deze vereenvoudiging moet je wel voorzichtig omgaan. Op veel plaatsen, bijvoorbeeld in bosgebied, is de oorspronkelijke grondsoort niet goed zichtbaar. Ook kan het boven op de stuwwal lokaal behoorlijk vlak zijn
Wil je precieze informatie over de grondsoorten op een specifieke locatie, kijk dan op de geologische kaart van Nederland. Deze laat zien waaruit de ondergrond is opgebouwd, zoals aardlagen en gesteenten.
Misschien nog interessanter is de geomorfologische kaart. Deze toont hoe het landschap is gevormd en hoe het eruitziet, met informatie over de vorm, het reliëf en de ontstaanswijze van het aardoppervlak. Hierop is de stuwwal onmiddellijk herkenbaar.

Geomorfogische kaart van de Utrechtse Heuvelrug (HUG)
Beide kaarten zijn zeer gedetailleerd en de vele kleuren kunnen overweldigend zijn. Daarom heb ik een vereenvoudigde geomorfologische kaart van de heuvelrug gemaakt. De kleuren op deze kaart komen overeen met die van de officiële kaart en sluiten ook aan bij de eerdere afbeeldingen.